Openingsrede Hans Kuyper in Honig Breethuis

Zaterdag 26 juni 2010 sprak de stadsdichter Hans Kuyper de volgende openingsrede uit bij de expositie van Tengel in het Honig Breethuis. De expositie is tot 5 september te bezichtigen.

Goedemiddag, dames en heren.


Stadsdichter Hans Kuyper bij het uitspreken van de openingrede

Aan mij valt vandaag de eer te beurt om deze bijzondere expositie te openen. Ik wil dat doen middels een verbale rondgang langs de objecten, hier en daar doorsneden met wat weidsere gedachten, als u mij toestaat. En ik zal kritisch zijn, maar niet over de hier getoonde werken. Want die zijn prachtig.

Het is een mooi initiatief van Stichting Tengel, om drie maal steeds tien kunstenaars tien weken lang te laten exposeren op de plek die de inspiratie voor het werk vormde. Maar er moet me toch iets van het hart. De affiche voor deze tweede ronde telt slechts negen namen. En dat terwijl er werk te zien is van elf artiesten. Over dat laatste hoeven we niet te klagen, want de hommage aan het Zaans papier van Eduard Arsenian die stiekem is blijven hangen naast de schooltasjes van Cornelis en Jacob Breet, is fraai. En dat ook Angéle van de Thillart zich niet uit het kabinet heeft laten verjagen, maar ons nog altijd vanachter haar sluier beloert, stemt ook tevreden.

Misschien is het wel Zaans. Negen en elf, ach, dat is gemiddeld tien. We komen er wel uit.

Om goed beslagen ten ijs te komen, heb ik deze tentoonstelling stiekem afgelopen donderdag alvast bezocht. Het was toen minder druk. Sterker nog, ik was de enige bezoeker. En dat was eigenlijk ideaal.

Ik voelde mij alsof ik meedeed aan een vossenjacht. Maar dit keer was het niet speuren naar een als hippie verklede juf of meester, maar naar de vreemde eendjes in de bijt. Dwalen door de vertrouwde kamers van dit schitterende huis en verrast worden door kleine of grotere indringers.

Is indringers het goede woord? Is het te negatief? Misschien moet ik onverwachte visite zeggen, pasgeboren neefjes. In elk geval nieuwe gezichten in een vertrouwd portret.

Ook typisch Zaans, eigenlijk. Die min of meer verborgen kunst. Dat opgaan in de omgeving. Natuurlijk heeft de streek zijn grote kunstenaars gekend, maar tot nog niet zo heel lang geleden trokken die altijd weg, naar plaatsen met meer stedelijke aspiraties. Het is pas sinds de laatste tijd dat er kunstenaars juist hiernaartoe komen. Kijk naar het beschilderde behang in dit huis. Mooi, maar alleen aangebracht omdat de buren het ook hadden. En die kunstenaar moest in Amsterdam worden besteld. Want daar deden Zaankanters niet aan, zeker niet in de baas zijn tijd. Terwijl toch juist de Zaankanters als geen ander wisten hoe te leven van de wind.

Maar eerst eens de expositie. Die begint al meteen met een ode aan Rob Stolk van Mas Vroman, prachtig in glas gezet door Ruud Pauw. Goed om in dit huis van papier een drukker letterlijk in het zonnetje te zetten. Jammer dat dit huis niet ‘s ochtends te bezichtigen is, want dit stille portret hangt op het oosten.

Prachtig ook om te zien hoe Ingrid Roos een portrettengalerij afsluit met een zomers blauwe leegte, alsof de laatste heer Honig met zijn glazen jachtje de Zaan is opgevaren. En hoe Stella Burggraaf in diezelfde kamer de zomers van vroeger bewaard als kleine kostbaarheden in een rariteitenkabinet.

Er zijn veel kleine kostbaarheden in een mensenleven. Het zijn de kunstenaars die ons daar altijd weer op wijzen. Nutteloos en van onschatbare waarde, zoals Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr het zei in zijn op Oerol uitgesproken Manifest van Terschelling. Want het is weer zover lieve kunstliefhebbers, het mes gaat erin. Ook in Zaanstad. Nog gistermorgen ontving ik een verontrustende mail van oud-wethouder Piet Keijzer. Hij vroeg zich af of het geen tijd werd om een Zaans Manifest op te stellen. Diezelfde middag bereikten mij geruchten dat Fluxus Kunst op School zal moeten stoppen. Misschien moeten we praten. Misschien moeten we boos de straat op.

Maar het ging over de zomers en de luchten boven de Zaan. Aan de andere kant van het huis keert al dat blauw weer terug bij Daniëlle van der Erve, die nauwgezet de textuur van het achttiende-eeuwse licht weet vast te leggen. Ruth van Beek verrast ons met ragfijn werk waarin de kaper geen beklemming meer is, geen martelwerktuig, maar een gewichtloze bevrijding. Rafaél Calvo Torrico komt met introverte koppen in kleuren van houtrot, die met hun overweldigende aanwezigheid dat kleine kabinetje nog benauwender maken.

En ja, het zijn benauwde tijden. Na de zomer horen we pas hoe benauwd precies. Het wordt weer net als vroeger. Schilderen op de vrije zaterdagmiddag. En als enige evenement wellicht nog Zingen op de Zaan, want dat vindt iedereen leuk. O, zielloos volk dat zich van kermis naar kermis sleept! Terwijl het juist de verstilling is die – maar dat weet u allemaal wel.


Werk van Gemma van Gelder

We gaan de trap op, aan de hand van Gemma van Gelder die het huis haar bewoners teruggeeft, in kleurig novantiek en zelfbewust. En op de achtergrond gunt Laurien Sneep ons een kijkje in de dromen van die bedsteeslapers, stevig vormgegeven als schaamrode vijgenbladeren in de schemer van de avond.

Hij is klein en overzichtelijk, deze liefdevolle expositie. Geen groots drama, maar lucht en kant en introspectie, los van tijd en plaats. Het is allemaal door en door Zaans en we willen het niet kwijt, het moet zo blijven, deze stille wereld die niet voor zichzelf kan opkomen moet ten koste van veel, misschien zelfs alles, worden beschermd. Zelfs de Neanderthalers kenden kunst, en wie de grot versierd had mocht gewoon mee-eten van wat de jagers hadden ingebracht. Waarom zou dat 400 eeuwen later opeens niet meer kunnen?

Tenslotte, in de tuinkamer (die uitzicht biedt op de straat, dat heb ik altijd al een merkwaardigheid gevonden) de schijnbaar achteloos neergesmeten tulpen van Lamberti die de bezoeker het idee geven dat hij een feestje heeft gemist – maar dat is niet zo, want hier zijn we, en daar staat de drank.

Het huis viert mee met ons mee. Het is alsof al die tijdelijke toevoegingen de vertrouwde objecten een nieuw aanzien geven. De gemarmerde planken lichten op, loddereinflesjes stralen als nieuw. En zijn u die prachtige buizen van de cv-installatie al opgevallen? Er hangt iets van verwachting in het kamertje van de dienstbode, de geldkist lijkt opeens gevuld tot aan de rand en de postoel – nee, die niet. Maar blinken doet hij wel, en kreunend knikt de lakenpers ons toe.

Het is spannend. Kom vooral later nog eens terug om in alle rust te dwalen, zoals ik donderdag mocht doen. Laat u verrassen. Zodat u zich weer eens realiseert waartoe wij op aarde zijn.

Het lijkt wel kunst.
Ik dank u wel.

Zaandam, 26 juni 2010
Hans Kuyper
Stadsdichter van Zaanstad


t